Ze zaten daar als pagina’s
uit een boek dat zichzelf vergeten is
een, gebogen over zijn knieën
als een priester zonder geloof
De ander, met een doek
als een vlag voor iets wat nooit begon
Misschien wachtten ze
op een bus die alleen in gedachten rijdt
of op het begin van hun Netflix-serie
aflevering één: Stilte, met uitzicht
De zon viel in strepen door de bomen
alsof tijd zelf door een traliewerk glipte
Ze spraken niet, natuurlijk niet
Woorden zouden storen
wat daar hing een soort vrede
of juist het ontbreken ervan
De man met de doek
nee, geen modekeuze
eerder een echo
van iets zachts dat ooit warmte gaf
Misschien zijn het knieën
misschien een ziel die even moest zitten
De ander keek omlaag
alsof hij daar het antwoord verwachtte
tussen de voegen van de stoeptegels
of in het ritselen van andermans zwijgen
Ze zaten daar
Gewoon
Of nee
ze waren daar
en dat was genoeg
om iets bijzonders niet te laten gebeuren
