Er zijn plekken in Utrecht
die zich niet opdringen.
Je loopt er zomaar voorbij,
op weg naar iets dat belangrijk lijkt.
Tussen de straten die iedereen kent
liggen de Zeven Steegjes.
Of acht.
Zoals dat gaat in deze stad:
zelfs de feiten hebben hier gevoel voor poëzie.
Ze werden gebouwd voor mensen
die weinig ruimte hadden,
maar elkaar.
Voor een weduwe met drie kinderen.
Voor een man die thuiskwam
met mout in zijn jas
of suiker in de plooien van zijn handen.
De huizen waren klein.
Het leven ook, soms.
Water kwam uit een pomp,
warmte uit een kachel,
en nieuws ging sneller dan het licht
van voordeur naar voordeur.
Wie iets uithaalde,
hoefde het thuis niet meer te vertellen.
De straat deed dat al.
De was hing boven de hoofden
als een verzameling witte vlaggen.
Niemand gaf zich over.
Er werd geleefd,
gelachen, geroddeld, geholpen.
Stoelen stonden buiten.
De avond schoof aan.
En toen de slopers kwamen,
stond de buurt op.
Alsof de huizen zelf hadden besloten
nog even te blijven.
Nu bloeien er bloemen.
De brouwlucht is verdwenen.
De Dom kijkt nog steeds over de daken mee,
zoals hij dat altijd heeft gedaan.
En als je er loopt,
hoor je misschien niets.
Maar wie goed luistert,
hoort een stad die zachtjes zegt:
hier woonden mensen
die niet veel bezaten,
behalve elkaar.
En misschien is dat,
tussen alle stenen van Utrecht,
nog altijd het mooiste verhaal.
