Hij zit daar al uren
Zijn handen gevouwen
om niets, misschien stilte
Misschien de tijd zelf
Achter hem zoeven
fietsers voorbij
met glanzende helmen
en benen als motoren
van verlangen
Hij kijkt ze na
met een steek van jaloezie
alsof hij ook ooit
een weg vooruit had
Of ziet hij alleen maar
het gras, de bomen
of de lucht die vandaag
stil is gaan zitten
naast hem op het bankje
Hij denkt
Laat ze maar trappen
Ik ben al waar ik wezen moet
