In het park, op een bankje
half in de schaduw
van een boom
zat een man te eten
een halve lunch
en een hele wereld
om zich heen
Plastic tasje, blikje bier
een fiets die nog na pruttelde
van elektrische dromen
Je dacht, daar gaan we weer
rommel, rook, onverschilligheid
Maar toen hij opstond
bogen zijn handen
zich als vogels
over kruimels en karton
het blikje verdween in het tasje
het tasje in de fietstas
Een knik naar niemand
en hij reed verder
alsof hij wist
dat er iemand stond te kijken
die ongelijk had gekregen
